Op deze pagina vind je een aantal gedichten dat Liesa G. en ik heel mooi vinden!

Hans Andreus

Je bent zo
mooi
anders
dan ik,

natuurlijk
niet meer of
minder
maar

zo mooi
anders,

ik zou je
nooit

anders dan
anders willen.

We hebben dit gedicht gekozen omdat het kort, bondig en allesomvattend is. Dit is een liefdesgedicht. Liefde is altijd al een heel actueel thema geweest en iedereen heeft er wel eens mee te maken. Het gaat over iemand die zijn geliefde wil beschrijven. ‘Natuurlijk niet meer of minder’ verwijst naar de gelijkheid van de mensen, terwijl iedereen toch zo anders is. Het is een kort en krachtig gedicht, bestaande uit slechts één zin en in die ene zin beschrijft hij zijn gevoelens voor zijn geliefde. Liefde is onmogelijk te omschrijven, maar toch slaagt Hans Andreus erin om dit in één zin te doen.

De gevoelens en de sfeer in dit gedicht spreken ons aan. Het gaat over de liefde en niemand kan zijn gevoelens ten volle beschrijven, maar hier probeert Andreus dat te doen in één zin, wat hem dan ook lukt. Het is origineel, fris, ANDERS. Het gaat over een onderwerp die ons interesseert.


Hans Andreus – Voor een dag van morgen

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan het kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man alleen maar een vrouw,
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.

De eerste zin heeft onmiddellijk onze aandacht getrokken. We waren benieuwd naar wat er gebeuren moet als hij morgen dood zou gaan. Liefde is een onbegrijpelijke zaak, en daarom moet je het aan geen mens zeggen: ze zouden je niet geloven.

Wat Andreus wil zeggen, komt goed over. Zijn bedoeling is duidelijk. Het is met overtuiging geschreven. Hij is zeker van dat geen mens zijn gevoelens zou begrijpen. Het is goed geschreven.


André Sollie – Ruzie

Altijd zie weer wat anders
in de kleuren op ’t behang,
het decor van al je dromen.
Maar vanavond ben je bang.

Want je luistert ondertussen
naar de stemmen in het huis.
Eerst heel zacht en dan weer luider,
papa is dus eind’lijk thuis.

Even denk je: Hoor ze lachen,
maar dan lijkt het huilen weer.
Is da mams? Waar gaat het over?
Ruzie! Slapen lukt niet meer.

Dit gedicht gaat over een kind dat luistert naar het geruzie van zijn ouders. De kleuren op ’t behang verwijzen naar de sfeer die er thuis heerst. Heldere kleuren duiden op een aangename sfeer, donkere kleuren op een bedrukte sfeer. Eerst denkt hij dat zijn ouders lachen, maar dan lijkt het plots huilen. Hij besluit dat er ruzie is en dat er hem een slapeloze nacht te wachten staat.

Het geeft de realiteit weer en iedereen z’n ouders maken wel eens ruzie. Het zet je fantasie in werking als je denkt aan de kleuren van ’t behang want je denkt er zelf al een donkere kleur bij. Het geeft een waarheidsgetrouw, echt beeld van leven en wereld.


Victor Vroomkoning – Vuiniszakken

Zoals ze daar ’s morgens
op de stoep tegen elkaar
aan geleund warmte zoeken
in hun plastic jassen
staan te wachten, grijs,
vormeloos, vol afgedankt
leven, tegelijk broos
en weerloos. Je zou ze
weer naar binnen willen
halen, je ouders
wachtend op de bus.

Hier vergelijkt de schrijver vuilniszakken met ouders, wat een grappig effect heeft. Er is een mooie beeldspraak (vergelijking ouders-vuilniszakken).

Dit gedicht zet je fantasie in werking. Je kunt je al een beeld vormen hoe die ouders daar tegen elkaar staan. Het is origineel en goed geschreven.


André Sollie – Gepest

Tegen ’t raam van de veranda
met mijn neus, mijn wagen nat.
Wéér gepest op school. Eerst Johan,
dan de hele klas zowat.

Ik was boos, wat zeg ik, woedend!
Maar ik zei niks. Kon ik maar!
En weer thuis, toen dacht ik stiekem:
Kreng! En pestkop! Leugenaar!

Ik kijk zomaar wat de tuin in.
Kouwe biefstuk op m’n bord.
Ja, hier sta ik dan, zo droevig
dat het bijna prettig wordt.

Dit gedicht gaat over een jongen die gepest wordt, en die er niets kan op zeggen. De laatste zin heeft een diepere betekenis, namelijk dat hij er beter mee kan lachen, want het maakt hen toch niets uit als hij erbij weent of niet. Hij blijft gepest.

Pesten is een actueel en realistisch thema. Het komt overal voor en heeft vaak negatieve gevolgen. Het is levendig en zet je fantasie in werking. Het is waarheidsgetrouw en geeft een echt beeld weer van leven en wereld. Het gedicht neemt een onverwachte wending: de laatste zin is origineel. Het gedicht roept medelijden op.


Paul Snoek – Sprookje

Toen ik klein was
met jong mooi haar
bouwde ik ergens
een kaartenhuis
in een dal
onder de wind

de muren waren ruiten
het dak was van klaver
en voor de deur stond hartenvrouw

maar nooit
in mijn sprookje
vond Sneeuwwitje
een prins
die bleef.

Het gedicht wordt beschreven met kaarten. Hij zegt dat hij vroeger kaartenhuisjes maakte en vergelijkt dit met de realiteit. In de eerste strofe zegt hij dat hij zijn kaartenhuisje bouwde in een dal onder de wind en in de tweede strofe kunnen we besluiten dat het kaartenhuisje er niet meer is (muren WAREN ruiten). De hartenvrouw wijst op de vrouw die zijn hart gestolen heeft, en zij wilde waarschijnlijk niet bij hem blijven, of ze kon hem niet vinden in het kaartenhuisje.

In dit gedicht wordt er gebruik gemaakt van een vergelijking (kaartenhuisje – realiteit). Het gedicht spreekt tot de verbeelding. De delen hangen logisch met elkaar samen, per strofe weet je iets meer over hoe het zal eindigen.